Gegevens beheren vervolg
Wijziging vakantiewetgeving
Wetsvoorstel 32465:
Voorstel van wet houdende het afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
1. Algemeen
Met ingang van (de beoogde invoeringsdatum van) 1 januari 2012 vindt een aanpassing van de vakantiewetgeving plaats. Het wetsvoorstel hiertoe verkeert in fase 4: dit betekent dat behandeling in de Tweede Kamer is afgerond en dat het wetsvoorstel voor schriftelijke behandeling bij de Eerste Kamer is ingediend (stand 26 april 2011).
Het wetsvoorstel is betrekkelijk snel en redelijk geruisloos door de Tweede Kamer gegaan. Ten opzichte van het eerste ingediende wetsvoorstel is er één nota van wijziging ingediend. Tevens is de aanvankelijke beoogde invoeringsdatum van 1 april 2011 verschoven.
2. Wetsvoorstel
De aanleiding voor het wetsvoorstel is door het kabinet gebaseerd op de volgende drie punten:
Uitspraken HvJEG: in een tweetal uitspraken van het Hof werd bevestigd dat het recht op een jaarlijkse vakantie van vier weken met behoud van loon aan iedere werknemer toekomt ongeacht gezondheidstoestand. Voor de vigerende Nederlandse wetgeving leidt dit tot een noodzakelijk aanpassing van het BW voor wat betreft de opbouw van de minimum vakantieaanspraken bij ziekte.
Verduidelijking van het BW voor wat betreft de bestaande mogelijkheid van samenloop van perioden van vakantie en ziekte: ook tijdens een periode van ziekte kan vakantie worden opgenomen.
Stimulering van het tijdig en met regelmaat opnemen van een minimum vakantie. Hiertoe wordt een vervaltermijn door het kabinet geïntroduceerd voor de minimum vakantiedagen.
Het kabinet beoogt met het wetsvoorstel tot (aanvullende) maatregelen te komen voor een meer evenwichtige balans tussen opbouw van vakantieaanspraken en een tijdige en regelmatige opname van minimum vakantierechten in het belang van veiligheid en gezondheid van werknemers.
3. Kern van de wetswijziging
De wetswijziging kent de navolgende punten:
Opbouw vakantie bij ziekte: in het wetsvoorstel wordt voorgesteld om geen onderscheid meer te maken in opbouw van minimum vakantierechten voor zieke en gezonde werknemers. De beperkte opbouw van minimum vakantierechten voor gedeeltelijke en geheel arbeidsongeschikte werknemers (thans artikel 7:635 lid 4 BW) wordt hiertoe geschrapt. Zieke werknemers krijgen daardoor dezelfde aanspraken op minimumvakantiedagen als andere werknemers omdat het verwerven van vakantieaanspraak gekoppeld is aan het recht op loon wat ook in geval van ziekte bestaat (artikel 7:629 BW).
Voor bovenwettelijke vakantiedagen, uit hoofde van een cao of individuele arbeidsovereenkomst toegekend, kunnen (sociale) partners zelf afspraken maken over de opbouw bij ziekte.Opnemen vakantiedagen bij ziekte: het wetsvoorstel kent enkele wijzigingen in de artikelen 7:636, 7:637 en 7:638 BW die ertoe strekken dat duidelijk wordt dat ziekte niet in de weg hoeft te staan aan het opnemen van vakantie tijdens ziekte noch aan het verrekenen van ziektedagen met vakantiedagen.
De huidige wet sluit vakantieopname tijdens ziekte niet uit, maar in de praktijk komt dit weinig voor. Voor (gedeeltelijke) zieke werknemers is het opnemen van vakantiedagen evenzeer van belang als bij niet-zieke werknemers omdat, aldus het kabinet, de recuperatiefunctie van vakantie ook voor zieke werknemers (die in beginsel te maken hebben met een re-integratieverplichting) betekenis heeft. De verplichting van de werkgever om de werknemer in de gelegenheid te stellen om zijn minimum vakantierechten op te nemen geldt dan ook voor alle werknemers, dus ook voor zieke werknemers.
Als de zieke werknemer tijdelijk vrijgesteld wil worden van zijn verplichting tot re-integratie dient hij hiervoor vakantie op te nemen, net als de werknemer die tijdelijk wil worden vrijgesteld van zijn arbeidsverplichtingen. Een logisch gevolg van het vervallen van de beperkte opbouw van minimumvakantiedagen (er vindt hiermee een volledige opbouw plaats) is dat bij opname de vakantiedagen voor de gehele arbeidsduur worden opgenomen en niet alleen voor de gewerkte uren.Stimuleren van vakantieopname: De werkgever is verplicht om de werknemer ieder jaar in de gelegenheid te stellen de minimumvakantie (vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week) op te nemen. Voor het opnemen van vakantie is en blijft het uitgangspunt dat de werkgever de vakantie vaststelt overeenkomstig de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich hiertegen verzetten. Het initiatief voor vakantieopname ligt –nog steeds- bij de werknemer tenzij hierin anders is voorzien (via bijvoorbeeld een CAO.)
Om te bevorderen dat alle gezonde en re-integrerende werknemers (dit in het belang van hun veiligheid en gezondheid) daadwerkelijk met regelmaat en tijdig recupereren door vakantie op te nemen, wordt in het wetsvoorstel een vervaltermijn voorgesteld voor de minimum vakantiedagen. Met inachtneming van het uitgangspunt dat de werknemer zelf bepaalt wanneer hij vakantie opneemt, wordt met een vervaltermijn gestimuleerd dat alle werknemers (ook zieke werknemers die re-integreren) daadwerkelijk tijdig hun (minimum)recht effectueren. Niet opnemen van het verlof betekent immers in beginsel dat de minimum vakantiedagen daadwerkelijk vervallen.
Minimum vakantiedagen die voor het verstrijken van de vervaltermijn niet worden opgenomen, komen -dus- te vervallen. De vervaltermijn is gesteld op 6 maanden. Concreet betekent dit dat alle werknemers binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de minimumaanspraak is verworven, hun (resterende) minimum van vakantieaanspraken moeten effectueren. De vervaltermijn vangt hiermee in beginsel aan op de eerste dag na het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven en eindigt zes maanden daarna. Deze vervaltermijn laat overigens onverlet dat afwijkende maatwerkafspraken, ten gunste van de werknemer, mogelijk zijn. Deze mogelijkheid wordt expliciet in artikel 7:640a BW opgenomen. Hiervoor is de eerder genoemde nota van wijziging ingediend.
Er zijn situaties denkbaar waarbij de werknemer niet in de gelegenheid is geweest om de minimumvakantie op te nemen. In dat geval is geen sprake van een verval van de minimum vakantieaanspraken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het door toedoen van de werkgever niet mogelijk is geweest (voldoende) minimum vakantie op te nemen.
Hiervan zal bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van langdurig zieke werknemer die gedurende die periode is vrijgesteld van verplichtingen tot re-integratie. Voor deze werknemer is re-integratie en hiermee recuperatie, in de zin van uitrusten van verplichtingen voortkomende uit de arbeidsovereenkomst, niet aan de orde. Het gaat hier in het algemeen om werknemers die om medische redenen niet in staat zijn de eigen arbeid te verrichten en evenmin andere duurzame benutbare mogelijkheden hebben om naar arbeid terug te keren. Een werknemer wordt wel in staat geacht om minimum vakantiedagen op te nemen als het re-integratietraject is opgestart. Voor het geval dat het opnemen van de minimum vakantiedagen het re-integreren in de weg staat waardoor de minimum vakantie niet tijdig (dus voor het einde van de vervaltermijn) kan of mag worden opgenomen, zullen deze minimum vakantiedagen niet komen te vervallen. De Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar is in deze gevallen voor wat betreft de beoordeling leidend.Opname vakantierechten: Bij de inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging ontstaat feitelijk een nieuwe situatie voor wat betreft de (administratieve) opname van vakantiedagen die afwijkt van de jurisprudentie van de Hoge Raad : de oudste vakantiedagen worden als eerste afgeboekt. (HR 19 juni 1988 nr. 13273).
Voor de vakantiedagen (minimum en bovenwettelijk) die zijn opgebouwd onder het huidige regime en voor de nieuw op te bouwen bovenwettelijke vakantie dagen blijft een verjaringstermijn gelden van vijf jaar. Voor de minimum vakantiedagen die worden opgebouwd na inwerkingtreding van de wetswijziging geldt in beginsel een vervaltermijn van zes maanden na het opbouwjaar. Het zijn niet meer per definitie de oudste opgebouwde dagen die als eerste vervallen. Minimum vakantiedagen die worden opgebouwd onder het nieuwe regime vervallen eerder dan dagen die onder het huidige regime zijn opgebouwd en de nieuwe opgebouwde bovenwettelijke vakantiedagen.
De voormelde jurisprudentie is dan ook niet toepasbaar op die nieuwe situatie omdat deze er in de praktijk toe zal leiden dat nieuw opgebouwde minimum vakantiedagen zullen vervallen als een werknemer nog beschikt over vakantiedagen die onder de huidige wetgeving zijn opgebouwd. Een redelijk wetsuitleg leidt ertoe, aldus het kabinet, dat in het belang van de werknemer de dagen die als eerste verloren gaan door verval of verjaring als eerste worden afgeboekt.Overgangsrecht: De vervaltermijn is van toepassing op minimum vakantiedagen die vanaf de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden opgebouwd. Bij een inwerkingtreding op 1 januari 2012 komen de dagen opgebouwd over 2012 op 1 juli 2013 te vervallen.
De voor de datum van inwerkingtreding van deze wetswijziging opbouwde minimum vakantierechten vallen hier –dus- buiten. Voor deze rechten blijf de verjaringstermijn ex artikel 7:642 BW gelden.Effecten voor werkgevers: Het kabinet heeft ingeschat dat wetsvoorstel niet kostenneutraal voor werkgevers uitpakt;de kosten voor werkgevers zijn geraamd op €30 miljoen per jaar. De veronderstelling is dat slechts een gering aantal werkgevers met deze kosten wordt geconfronteerd; per jaar is dit geraamd op 2% van de werkgevers.
De kosten voor een werkgever, uitgaande van een werknemer die volledig arbeidsongeschikt wordt verklaard, bedragen bij een minimumloon circa €2.000,-. Dit is gelijk aan het minimumloon voor 30 extra opgebouwde vakantiedagen. Bij een modaal loon zijn de kosten circa €3.800 en bij twee keer modaal circa €7.600 (gelijk aan het modale loon, resp. twee keer het modale loon voor 30 extra opbouwde minimum vakantiedagen).
Administratief gezien heeft de wijziging van de vakantiewetgeving tot gevolg dat werkgevers hun verlofregistratiesysteem moeten wijzigingen. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen (het opnemen van) wettelijke minimum vakantiedagen (met of een verval termijn of verjaringstermijn) en (het opnemen van) bovenwettelijke vakantiedagen (met een verjaringstermijn). Bij de invoering van het wetsvoorstel zal de werkgever voor wat betreft het minimumvakantieverlof een onderscheid moeten aanbrengen tussen oud en nieuw minimumverlof. Het eerste verlof kent een verjaringstermijn van vijf jaar, het tweede verlof een vervaltermijn.
Voor werkgevers met een verlofbudget komt hier zo mogelijk nog een derde verlof”pot” bij waarvoor een separate administratie zal moeten worden bijgehouden.
