Geschiedenis van pensioen

​Het idee pensioen is best oud. In de middeleeuwen kenden verschillende gilden tegen premiebetaling een sociaal vangnet voor aangesloten ambachtslieden. Een soort voorloper van ons huidige pensioenstelsel.

Oorsprong huidig stelsel

Het huidige Nederlandse pensioenstelsel ontstond in de tweede helft van de negentiende eeuw. In die tijd was de industriële revolutie in Nederland in volle gang. Een klein aantal ondernemingen richtten toen pensioenfondsen op.

In 1880 startte Jacques van Marken binnen zijn gist- en spiritusfabriek een pensioenregeling voor zijn personeel. Hij vond dat werkgevers daartoe ‘de zedelijke plicht’ hadden. "Voor een machine moeten we geld opzij leggen om hem aan het einde van zijn leven te vervangen. Voor de mensch moet aan het einde van zijn werkzame leven geld gespaard zijn om hem de rest van zijn leven ongeveer dezelfde welvaart te kunnen garanderen."

In 1913 voerde Syb Talma, minister van Handel, Nijverheid en Landbouw, de eerste Invaliditeits- en Ouderdomswet in. De wet was een verplichte verzekering voor arbeiders in loondienst. Werkgever en werknemer betaalden samen de premie.

Noodwet voor ouderenzorg

Na de Tweede Wereldoorlog kwam er steeds meer aandacht voor ouderdom en pensioen.

In 1947 introduceerde Willem Drees zijn plan voor een noodwet voor ouderenzorg. Die wet zorgde voor ouderdomsuitkering voor loontrekkenden én niet-loontrekkenden. Daarmee was het probleem van de kleine zelfstandigen opgelost. Nieuw aan de wet was dat eigen inkomsten van de uitkering worden afgetrokken. De uitkering is premievrij: het rijk betaalde alles. Elke Nederlander die minder verdient dan een bepaald inkomen, had recht op een uitkering.

Pensioen- en spaarfondsenwet

In 1952 volgde de Pensioen- en spaarfondsenwet: pensioenpremies werden buiten de onderneming ondergebracht in een pensioenfonds- of een -verzekeraar. Ook bepaalde de wetgever dat een werknemer die pensioen had opgebouwd, bij vertrek of ontslag recht had op premievrij pensioen. De Pensioen- en spaarfondsenwet werd in 2007 vervangen door de nieuwe Pensioenwet die tot vandaag de dag geldt.

AOW

In 1957 volgde de Algemene Ouderdomswet (AOW) de noodwet op. De AOW regelde voor alle Nederlanders vanaf 65 jaar een ouderdomsuitkering. Hiermee bestond het volledige pensioen in Nederland uit 3 potjes:

  1. AOW
  2. aanvullend pensioen via een pensioenfonds of –verzekeraar
  3. wat een werknemer zelf regelt

 

  

Lees meer over hoe ons pensioenstelsel werkt?

Vergrijzing

De AOW-leeftijd was lange tijd 65 jaar. Maar de betaalbaarheid van de AOW bleek gevoelig voor de vergrijzing. We worden met zijn allen steeds ouder. Gevolg: we hebben langer inkomsten nodig. De AOW is daardoor onbetaalbaar. De overheid besloot daarom de AOW-leeftijd te verhogen: in eerste instantie naar 67 jaar. We moeten dus langer doorwerken. Pensioenfondsen als PFZW hebben hun pensioenregeling hierop aangepast.

De ontwikkelingen gaan door. Lees meer over onze visie op de toekomst.