De Nota van wijziging

In onze laatste e-nieuwsbrief informeerden wij over het wetsvoorstel voor Bedrag ineens. Deze Nota van wijziging heeft grote consequenties voor de uitvoering van het Bedrag ineens. Daarom hebben PFZW en PGGM bij de Pensioenfederatie aandacht gevraagd voor de complexiteit van de voorgestelde wijziging.

In het oorspronkelijke wetsvoorstel is opgenomen dat het Bedrag ineens alleen tot uitbetaling kan komen op de ingangsdatum van het (vervroegd) ouderdomspensioen. De Nota van wijziging regelt dat dit ook plaats kan vinden in februari van het jaar ná het bereiken van de AOW-leeftijd. Dit is bedoeld om te voorkomen dat deelnemers die later in het jaar de AOW-leeftijd bereiken meer AOW-premie betalen dan deelnemers die eerder in het jaar de AOW-leeftijd bereiken.

Complexiteit
Het voorstel uit de Nota van wijziging leidt tot een verhoging van de complexiteit voor de uitvoering van het Bedrag ineens. Ook de uitvoeringskosten van het Bedrag ineens worden door deze maatregel hoger. Daarnaast wordt het voor de deelnemers moeilijker om te kiezen. Zij moeten overzien wat de consequentie is van het uitstellen van het Bedrag ineens naar februari van het jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd. Deze keuze moeten zij al maken op de ingangsdatum van het pensioen. Bij vervroeging kan deze datum wel tot enkele jaren voor de AOW-leeftijd liggen. Dit vraagt om een  keuzebegeleiding door pensioenuitvoerders, waarop ze nu niet ingericht zijn. Het overzicht in de gehele financiële situatie van een deelnemer heeft de pensioenuitvoerder immers niet.

In een reactie op de Nota heeft de Pensioenfederatie daarom deze nieuwe maatregel ‘bijna onuitvoerbaar’ genoemd en de ingangsdatum van 1 januari 2022  ‘onrealistisch’.

Vervolg
Het wetsvoorstel ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Ter voorbereiding op deze behandeling heeft de Pensioenfederatie bij de leden van de Eerste Kamer aandacht gevraagd voor de grote complexiteit van deze Nota van wijziging voor de pensioenuitvoering en de onmogelijkheid van implementatie per 1 januari 2022.  Gezien de inwerkingtreding van de overige onderdelen van het wetsvoorstel per 1 januari 2021 (RVU en verlofsparen), zal de Eerste Kamer het wetsvoorstel nog dit jaar moeten afronden.